In de jaren 70/begin 80 hadden wij in onze kerk een homoseksuele, samenwonende dominee als voorganger. Ik herinner me vaag dat er bij zijn aantreden discussie is geweest, ik herinner beter hoe hij me, in gesprekgroepen waar ik aan deelnam, aanzette tot denken – vanaf gelijke rechten voor homo’s en vrouwen tot en met vraagtekens bij astrologie. Ik vond het jammer dat hij na enige jaren de gemeente verliet voor een post in Zuid-Afrika.

Als wethouder had ik een SGP-wethouder als collega. Een goede, loyale vent met principiële standpunten. Ondertekenaar van het collegeprogramma, met een voorbehoud op een enkel punt. Net als wethouder Rouwendal nam ook hij soms een minderheidsstandpunt in. En net als de collega politici in Leidschendam-Voorburg trok ik ook mijn wenkbrauwen wel eens vragend op. Dan vroeg ik uitleg en kreeg dat.

Op het gebied van vrouwenemancipatie waren we het verschrikkelijk oneens. Ik verdacht hem er van dat hij het eigenlijk onjuist vond dat ik als moeder en echtgenote wethouder was geworden, en het vak full time vervulde. Toch kon ik rekenen op respect en warmte, ook van hem, toen ik als loco burgemeester een lintje mocht uitreiken aan een van de vrouwen in de christelijk gereformeerde kerk. En in al die jaren heb ik hem noch in het college, noch daarbuiten kunnen betrappen op het opdringen van zijn mening of op verontwaardiging als zijn standpunt niet werd gevolgd. Noch op het respectloos behandelen van onze voorzitter van het college, toevallig homoseksueel en samenwonend. We hebben wel goede gesprekken gehad.

Ondanks verschillen in opvatting, geaardheid of geloof heb ik goede en verrijkende ervaringen met homoseksuele mensen, én met andersdenkenden in het geloof. Het heeft mij geholpen te kijken naar de mens, en niet naar zijn geaardheid of zijn opvatting. En juist in een college, als je met elkaar een klus moet klaren, dan kan er maar één doel zijn: samen aan het werk.

In de politiek moet het gaan om het behalen van politieke doelen die de samenleving vooruit helpen. Daarvoor is een raads- of collegeprogramma vastgesteld. Van de collegeleden mogen raadsleden verwachten dat zij het programma uitvoeren, ongeacht hun persoonlijke opvattingen. Als dat werk in orde is, is het oneigenlijk een bestuurder publiekelijk aan de tand te voelen over zijn minderheidsstem bij een collegebesluit.

Collegebesluiten die genomen zijn met een meerderheid zijn immers net zo geldig als unanieme collegebesluiten. Dat heet democratie. Ik wil lokale politici oproepen heel voorzichtig te zijn om persoonlijke opvattingen van bestuurders en/of minderheidsstandpunten tot politiek issue te maken. Richt je op de politieke doelen die je met elkaar wilt halen, niet op de persoon. Unanimiteit in raad of college mag juist in een vrije samenleving geen bestuurlijk doel zijn. Er moet ook iets te kiezen blijven.